Kwaliteit en vrijheid

   
Geef in het vak uw zoektekst aan

Web Artikelen Boeken
Home
disclaimerArtikelen
(sitemap):
Welzijn en geluk
Relaties
Gezondheid
Gezonde voeding en dieet
Filosofie, moraal en spiritualiteit
Emoties
Organisatie en management
Test jezelf
Columns gastschrijvers
Weblog
Boekbeschrijvingen
Zoeken op deze site
Boomstructuur

 

     
 

Robert M. Pirsig is de auteur van:

  • Zen en de kunst van het motoronderhoud; een onderzoek naar waarden (2008),
  • Lila; een onderzoek naar zeden (2002).
 

LilaLila

Robert M. Pirsig

 

Pirsig doet middels zijn theorie van de Metafysica van de Kwaliteit een poging westerse en oosterse filosofie te verbinden.
De westerse filosofie gaat er van uit dat de werkelijkheid, het Ding an sich, principieel onkenbaar is. De werkelijkheid is slechts kenbaar via aanschouwings- en denkvormen. De werkelijkheid kent dus twee vormen: een objectieve, voor ons onkenbare vorm, en een subjectieve, de wereld zoals wij haar beleven. Materie tegenover geest.
De oosterse filosofie gaat ervan uit dat de werkelijkheid wel ‘kenbaar’ is middels een samensmelting van object en subject, bijvoorbeeld door te mediteren.

De westerse manier van denken heeft tot gevolg dat dingen waarvan het bestaan niet empirisch vastgesteld kan worden, niet objectief kunnen bestaan. Het zijn veronderstellingen, dingen die mensen bedenken, of zich inbeelden, maar die er in de werkelijkheid niet zijn.
Volgens Pirsig is de empirische ervaring echter geen ervaring van objecten, maar van waarden. “Het onderscheid tussen feiten en waarden is een voortvloeisel van het empirisme: de opvatting dat alle kennis uit ervaring moet komen. Echter, de metafysica van de kwaliteit (…) stelt dat de waarden niet buiten de ervaring staan, waarden vormen de essentie van de ervaring. (…) Het ding heeft de waarde niet gevormd, de waarde heeft het ding gevormd.”
En daarbij stelt hij waarde gelijk aan kwaliteit.
Van het begrip ‘waarde’ stapt Pirsig over naar ‘kwaliteit’, die hij vervolgens onderverdeelt in Dynamische Kwaliteit en Statische Kwaliteit. En daarmee zijn we tot de kern van zijn betoog gekomen.

Statische kwaliteit is conserverend, bijeenhoudend, gebaseerd op gewoonte en herinnering. Wanneer alles goed gaat, hoeft de mens zich niet druk te maken over de organisatie van zijn lichaam of van zijn sociale omgeving. Beiden scheppen de voorwaarde voor het komen tot zelfontplooiing. Goed is datgene wat aansluit bij bestaande patronen van waarde. Statische waardepatronen zijn onder te verdelen in vier stelsels:

  • anorganische patronen
  • biologische patronen
  • sociale patronen
  • intellectuele patronen

Deze vier stelsels zijn alomvattend, er is niets dat in deze indeling niet ondergebracht kan worden. Daarbij zijn de vier stelsels onafhankelijk van elkaar, zelfs zijn ze tegengesteld ten opzichte van elkaar. In het subject – object denken is dat ondenkbaar; daar is de materie, het anorganisch patroon immers de basis voor al het andere. Elke laag van patronen is (moreel) verheven boven de voorgaande. Dit maakt waardeoordelen tussen die niveaus mogelijk.

Alleen de Dynamische kwaliteit onttrekt zich aan deze indeling. Dynamische kwaliteit is altijd moreel beter dan statische kwaliteit.

Dynamische kwaliteit is de bron van alle verandering, de kwaliteit van de vrijheid. Dynamische kwaliteit creëert de wereld waarin wij leven, maar statische kwaliteit is noodzakelijk om haar in stand te houden. Instandhouden loopt telkens uit op stagnatie, het verhinderen van verandering, het verbieden van het afwijkende. Het is zaak telkens de balans te zoeken tussen beide kwaliteiten.

Een baby is een en al Dynamische kwaliteit. Zonder voorkennis ziet een baby een wereld waarin alles nieuw en gelijkwaardig is. Al snel ontdekt hij echter allerlei patronen, gaat hij de wereld indelen, construeert hij zijn wereld. Dat is nodig om in die wereld te kunnen zíjn, maar wanneer de Statische kwaliteit alomvattend wordt verdwijnt de vrijheid, stolt de wereld.

De ‘mens’ heeft een lichaam (en is derhalve zelf geen lichaam) en hij heeft ook een geest (en is derhalve zelf geen geest). Maar wanneer je vraagt wat deze ‘mens’ (noch lichaam, noch geest) is, dan levert dat niets op. Er is geen enkele ‘mens’ die onafhankelijk is van de patronen. De mens is de patronen.
Deze fictieve ‘mens’ heeft vele synoniemen: ‘mensheid’, ‘volk’, ‘het publiek’, en zelfs persoonlijke voornaamwoorden zoals ‘ik’, ‘hij’ en ‘ze’. Onze taal is er zozeer omheen georganiseerd en ze zijn zo handig in het gebruik dat het onmogelijk is om ze kwijt te raken. Er bestaat ook geen behoefte aan. Net als ‘stof’ kunnen ze worden gebruikt zolang men er maar aan denkt dat het begrippen zijn voor verzamelingen van patronen en dat ze zelf geen onafhankelijke primaire werkelijkheid vormen.

Pirsig kwam tot de conclusie dat kwaliteit noch objectief, noch subjectief is. Hij veronderstelde dat kwaliteit naast geest en materie een derde entiteit vormt. En zo poneerde hij de metafysische stelling dat er ten opzichte van object- en subjectervaringen een diepere onderliggende realiteit bestaat die hij Kwaliteit noemt met een hoofdletter. Die Kwaliteit heeft in zijn ogen een a-priori karakter en is inhoudelijk ondefinieerbaar omdat het geen ding is maar een gebeuren, een ervaringsproces dat vooraf gaat aan cognitieve acties en emotieve belevingen. Voordat men over iets nadenkt of iets beleeft, ervaart men of iets van waarde is, of iets kwaliteit heeft. Schoonheid, wijsheid, liefde en geestkracht zijn de voortbrengselen van onze geestelijke vermogens, gebaseerd op waarnemen, denken, voelen en willen.

Kwaliteitservaringen vormen de essentie voor een bevredigend leven, omdat in die ervaringen de kunstmatige scheiding tussen object en subject afwezig is en de oervorm van een natuurlijke eenheid bestaat. Pirsig legt een verband met het Zenboedisme, waarin dit streven al eeuwenlang vervat ligt.

Hoe kunnen mensen tot dergelijke Kwaliteitservaringen komen? In zijn voorbeelden richt Pirsig zich op arbeidservaringen, op motoronderhoud. Het beste motoronderhoud ontstaat als men komt tot een Kwaliteitservaring die men beleeft als “er helemaal in opgaan”. Om in iets op te kunnen gaan, moet men een Kwaliteitsspoor zien te vinden en daarvoor is volgens Pirsig innerlijke gemoedsrust nodig, moet men constructief de betekenis van optredende irritaties zien te begrijpen en moet men “hart” hebben voor waar men zijn aandacht op richt.

We dichten iets kwaliteit toe als wij het associëren met mogelijkheden tot de begeerde Kwaliteitservaring. De ene mens heeft voor de andere mens kwaliteit als zij hem of haar bijvoorbeeld lichamelijke of intieme “versmeltingen” te bieden heeft. Een baan heeft kwaliteit als de bezigheden het mogelijk maken om je er zo nu en dan met hart en ziel in te verliezen. Iemands leven heeft kwaliteit als er voldoende verbondenheidervaringen te bereiken vallen. Een gemeenschap of groep biedt een Kwaliteitservaring als een individu met beleving van, en respect voor, zijn eigenheid zich verbonden met de anderen voelt.

Het gaat er daarbij niet om een permanente toestand van eenheid, harmonie of verbinding te bereiken want dat leidt tot overprikkeling. Zoals bij de dans of het bespelen van een accordeon is de beweging tussen nabijheid en afstand noodzakelijk voor het bewerkstelligen van leven en hartstocht in de muziek.

Terug naar de gouden jaren. Velen waren welvarend en genoten grote vrijheden, maar toch zat het, om met de volksmond te spreken, niet snor met dat grote buffet waar je rijkelijk en naar believen uit kon kiezen. Was het decadentie en verveling, zoiets als “vandaag alweer buffet”? Waarschijnlijk niet. Het is precies als met een feest. Dat wordt pas een feest, krijgt pas kwaliteit, als je je daar verbonden voelt met anderen en je in de veelzijdigheid van dat contact weet op te gaan. Dan zegt men achteraf oprecht “het was echt gezellig.”

Dat brengt ons bij een proportionele ode aan de vrijheid: het vrijheidsgehalte binnen een samenleving en het vrijheidsstreven van de deelnemende individuen is een belangrijke facilitator voor Kwaliteitservaringen. Echter, als zodanig is vrijheid slechts een middel en geen doel. Meer vrijheden bieden geen garantie voor meer geluk.

Grensverleggen is een bewijs van groei, maar geen doel op zich. Iemand die telkens over zijn eigen en andermans grenzen gaat, kent geen balans en evenwicht. Hij is ongezond als een kankergezwel in een lichaam.

Voor meer over de relatie tussen geluk, vrijheid en kwaliteit, klik hier. Bovenstaande tekst is een compilatie van boekbesprekingen te vinden op Internet.

Het pad naar vrijheid, liefde en kwaliteit gaat niet altijd over rozen. Een goede aanvulling op de visie van Pirsig geeft Erich Fromm in De gezonde samenleving. Met name over de situatie dat de mens gefrustreerd raakt in het creëren van kwaliteit. Volgens Fromm zijn schepping en verwoesting, liefde en haat, geen twee onafhankelijk van elkaar bestaande instincten. Beiden zijn zij antwoorden op dezelfde behoefte aan zelf-transcendentie, en de vernietigingsdrang moet noodzakelijk opkomen in de mens zodra de scheppingsdrang geblokkeerd is en niet bevredigd kan worden. Het verschil is echter, dat de bevrediging van de scheppingsdrang tot het geluk leidt, maar destructivisme tot leed, het allermeest voor de verwoester zelf.
In zijn boek "Angst voor vrijheid" stelt Fromm dat de toenemende individuatie weliswaar leidt tot vrijheid, maar ook tot een toenemend gevoel van de eigen machteloosheid en zinloosheid als individueel bestaan. De mens blijft dan geen andere keuze over dan zich opnieuw met de wereld te verenigen. Dit verenigen dient te geschieden in de vrije oorspronkelijkheid van liefde en productieve arbeid, wil de mens niet een vorm van zekerheid zoeken in banden met de omgeving (de vlucht in autoritarisme, destructivisme, conformisme) die zijn vrijheid en zijn persoonlijke, menselijke waardigheid juist te gronde richten.

In zijn boek Flow beschrijft Mihaly Csikszentmihalyi een gefaseerde ontwikkeling van zingeving, die lijkt op de ontwikkelingschets van kwaliteit door Pirsig.

De spiraal van toenemende complexiteit in zingeving wordt niet door iedereen doorlopen. Sommige mensen krijgen nooit de kans om verder te komen dan de eerste stap. Wanneer de overleving zo veel van iemand eist dat hij of zij geen of weinig aandacht aan andere zaken kan schenken, zal hij of zij onvoldoende energie kunnen steken in de doelen van het gezin of van een grotere gemeenschap. De zin van het leven is slechts gebaseerd op de belangen van het zelf. Het merendeel van de mensen voelt zich waarschijnlijk uitstekend wanneer zij blijven hangen in het tweede stadium van hun ontwikkeling, de fase waarin het welzijn van het gezin, het bedrijf, de gemeenschap of de natie zin geven aan het bestaan. Een gering aantal mensen bereikt het derde stadium van reflectief individualisme, en nog minder mensen proberen opnieuw een eenheid met universele doelen tot stand te brengen. Dus deze stadia geven niet noodzakelijk weer wat er precies gebeurt of gaat gebeuren: ze geven aan wat er met iemand kan gebeuren wanneer hij of zij in staat is zijn of haar bewustzijn onder controle te krijgen.
De meeste theorieën over zingeving erkennen het belang van deze dialectische spanning, van deze schommeling tussen differentiatie enerzijds en integratie anderzijds. Vanuit dit perspectief lijkt het individuele leven te bestaan uit een serie verschillende `spelletjes', met verschillende doelen en uitdagingen, die steeds veranderen naargelang het leven vordert. Om complexer te worden, dienen we energie te steken in de ontwikkeling van de vaardigheden waarmee we zijn geboren, in de ontwikkeling van onze autonomie en onze zelfstandigheid, en in de bewustwording van onze uniciteit en onze beperkingen. Tegelijkertijd moeten we energie steken in het herkennen en begrijpen van de krachten die de grenzen van onze individualiteit overschrijden, en moeten we manieren vinden om ons aan die krachten aan te passen. Wij zijn dit alles natuurlijk niet verplicht. Maar als we ons daar niet op richten, bestaat de kans dat we er vroeg of laat spijt van krijgen.

Zen en de kunst van het motoronderhoud
Zen en de kunst van het motoronderhoud

Robert M. Pirsig

Zen en de kunst van het motoronderhoud verhaalt over de motorfietstocht die de hoofdfiguur en zijn elf jaar oude zoon Chris een zomermaand lang van Minnesota naar Californi voert. Het is het spannende en wanhopige relaas van een vader en een zoon die gegrepen worden door een steeds ingrijpender krankzinnigheid. Via verhandelingen over het motorfietsonderhoud en de vraag 'wat is leven' mondt dit boek uit in de vorming van een filosofisch systeem (rondom kwaliteit) waarin wetenschap, religie en humanisme tot elkaar worden gebracht.

 


Voor u gelezen in de media en geweblogd via psychologie-nu.blogspot.com:


Beschrijvingen zelfhulpboeken

Andere boekbeschrijvingen:


 

Populaire
weblog
onderwerpen: