Minder grijze stof bij vermoeidheidssyndroom
Uitgegeven: 9 augustus 2005
NIJMEGEN - Patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom
(CVS) hebben minder grijze stof in de hersenen. Onderzoekers
uit Nijmegen hebben dit aangetoond door MRI-opnamen
van de hersenen. Zij vergeleken de hersenen van CVS-patiënten
met die van gezonde proefpersonen.
Wetenschappers van het universitair medisch centrum
St Radboud en het F.C. Donders Centrum publiceren hierover
in de deze week verschenen editie van het het vaktijdschrift
NeuroImage. Het onderzoeksresultaat bevestigt de stelling
dat er bij CVS sprake is van een afwijkingen in de hersenen. |
De Gezondheidsraad
heeft het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) officieel
erkend als ziekte, zij het zonder aantoonbaar fysiek
substraat. Maar een remedie bestaat wel: cognitieve
gedragstherapie - die kan bogen op zeventig procent
succeskans. Patiënten worden dus erkend, maar in
één moeite door worden ze verwezen naar
de psycholoog, wat niets anders kan betekenen dan de
aloude opvatting 'het zit tussen de oren'.
Beatrijs Ritsema schrijft in HP/de Tijd in de column
doen & laten op 11 februari 2005.
Meer ....... |
ME vertoont alle kenmerken van een modeziekte. De geschiedenis
van de 'grande hystérie' rond 1880 in Parijs vormt
nog steeds een leerzaam model.
door Cees Renckens in Trouw 12 februari 2005
Nadat ik in mijn 25-jarige praktijk als vrouwenarts voor
de tweede maal met een onbegrijpelijke epidemie was geconfronteerd
- na de postnatale depressies uit de jaren '80 kwam in de
jaren '90 de bekkeninstabiliteit - besloot ik een studie te
maken van de totstandkoming en kenmerken van dit soort ziekten.
Ik vond in mijn onderzoek, beschreven in het proefschrift
'Dwaalwegen in de geneeskunde' (2004) de volgende kenmerken:
- een anatomische of biochemische afwijking ontbreekt of
staat niet in verhouding tot de gepresenteerde klachten;
- de klachten zijn meestal verergeringen van alledaagse
banale klachten als pijn, vergeetachtigheid, moeheid, geheugenproblemen
en duizeligheid die 'versterkt' worden door de catastroferende
overtuiging een ernstige ziekte onder de leden te hebben;
- er zijn vrijwel altijd medici die beweren dat er een
lichamelijke oorzaak is, die binnenkort gevonden zal worden.
Dit gebeurt nooit;
- er zijn actieve patiëntenverenigingen;
- er zijn problemen met verzekeraars en keuringsartsen;
- de verspreiding van de ziekte in de tijd en geografisch
kan niet biologisch worden verklaard;
- er is geen reguliere behandeling mogelijk. Veel patiënten
wenden zich tot kwakzalvers;
- de patiënt krijgt aandacht maar is te goeder trouw
en simuleert niet;
- deze ziekten hebben een epidemisch karakter: ze komen
en verdwijnen weer.
Ik kon makkelijk een twaalftal aandoeningen beschrijven,
die zich in ons land in de afgelopen 25 jaar voordeden en
die ik modeziekten noemde. Wie de discussie over de 'erkenning'
van ME op enige afstand volgt kan denken dat modeziekten van
recente datum zijn. Niets is minder waar: de epidemie van
'grande hystérie' in Parijs rond 1880 kan gelden als
een archetype.
Tijdens het regiem van Charcot als directeur van het Parijse
ziekenhuis La Salpêtrière steeg het percentage
opnames onder de diagnose 'hysterie' van
één procent in 1841 naar 17 procent in 1883.
Voordat Charcot de leiding kreeg over La Salpêtrière
genoot hij al een internationale reputatie als neuroloog.
Hij vernieuwde dit vakgebied met het zoeken van correlaties
tussen klinische symptomen en postmortale bevindingen en beschreef
als eerste multiple sclerose en de amyotrofische lateraal
sclerose ALS. Volgens Charcot was hysterie (kernsymptomen:
halfzijdige ongevoeligheid van het lichaam, kokerzien, hoofdpijnen
en kleurenblindheid afgewisseld door de grote aanvallen) een
neurologische aandoening, die onderscheiden moest en kon worden
van de epilepsie. De aanvallen van de 'grande hystérie'
verliepen volgens Charcot altijd volgens een viertal nauw
omschreven fasen:
- de epileptoïde fase met eerst krampen en later trekkingen.
- de fase met verdraaiingen van het lichaam en grands mouvements,
bijv. de beroemde arc-en-ciel of geklemd aan het bed, ook
wel 'clownisme' genoemd;
- de fase van de gepassioneerde houdingen, bijv. kruisiging,
beschuldiging, gebed of erotisch verleidelijk;
- de 'terminale' fase, waarin van alles kon gebeuren tot
het optreden van wanen en hallucinaties toe.
Hysterie werd door Charcot beschouwd als een lichamelijke
afwijking, gelokaliseerd in de hersenschors, met mogelijk
reflectoire bijdragen vanuit de eierstokken.
De uitvoerige, publiek gemaakte fotogalerij l' van de hysterie
werd voor dat tijdsgewricht het heersende model van hoe je
te gedragen in geval van krankzinnigheid. De ziekte verspreidde
zich snel door Frankrijk en Duitsland, maar heeft een land
als Engeland nimmer bereikt. Critici van Charcot vermoedden
toen al dat zijn gezag en publicaties zeer bijdroegen aan
de epidemie. Charcot verdedigde zich fel: hij beschreef en
fotografeerde slechts wat hij zag! Charcot overleed in 1893
en zijn opvolgers Raymond en Déjerine traden krachtig
op tegen patiënten die nog aanvallen van 'grande hystérie'
vertoonden, waarop het ziektebeeld snel aan betekenis verloor.
Zijn oud-leerling Gilles de la Tourette schreef in 1898 dat
Charcot bij de secties op overleden hysterische patiënten
nooit een anatomische afwijking had-kunnen vinden. Ook ME
vertoont alle eerder genoemde kenmerken van de modeziekte.
Deze 'ziekten' (naast ME noem ik whiplash, fibromyalgie,
schildersziekte OPS, RSI, bekkeninstabiliteit) komen
en gaan en niet altijd is duidelijk waarom zo'n epidemie weer
verdwijnt. Naar mijn mening speelt wetenschappelijk onderzoek
naar een lichamelijke oorzaak daarbij vaak een grote rol.
Het is uitermate betreurenswaardig dat de Gezondheidsraad
tot de conclusie komt dat ME/CVS een 'eigenstandige aandoening'
is. De aanbeveling om toch weer nader wetenschappelijk onderzoek
te doen en het ontwijken van de ondubbelzinnige conclusie
dat er geen lichamelijke afwijking gevonden kon worden is
prettig voor de ME-patiënt, maar is halfhartig. Zoals
Charcot's opvolgers een snel einde maakten aan de epidemische
verbreidheid van de 'grande hystérie', zo had een helderder
uitspraak van de Gezondheidsraad tenminste een preventief
effect kunnen hebben.
Te vrezen is dat met de nu uitgesproken 'erkenning' ME zijn
uitlokkende werking houdt op kwetsbare mensen, die onbewust
- maar toch niet los van de maatschappelijke context en geaccepteerde
opvattingen ter zake - het bijpassende ziektegedrag kunnen
gaan adopteren. Zij brengen zichzelf daarmee in een uitzichtloze
situatie. Het is dan ook buitengewoon verstandig dat minister
Hoogervorst zich krachtig van dit heilloze advies heeft gedistantieerd.
Hij verdient daarbij aller steun, want 35.000 Nederlandse
ME-patiënten, dat is meer dan genoeg...
Dr. C.N.M.Renckens is vrouwenarts en voorzitter van de Vereniging
tegen de kwakzalverij. |
|