|
| |
Door Kees Kraaijeveld. Deze tekst verscheen in
het Betoog van de Volkskrant op 8 oktober 2005.
Wat doe je met een volwassen vrouw die zegt dat ze
uit eigen vrije wil besneden wil worden? Moet zij (antwoord
A) de vrijheid hebben om dat te laten doen? Of druist
(antwoord B) vrouwenbesnijdenis zo in tegen de hier
in Nederland heersende visie op het goede leven dat
ze tegengehouden moet worden?
Deze eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. De
Nederlandse wetgever heeft namelijk gekozen voor antwoord
B. Vrouwenbesnijdenis valt onder de opzettelijke mishandelingsdelicten
en is verboden. De vrouw in kwestie wordt tegen zichzelf
in bescherming genomen en mag dus niet kiezen voor een
besnijdenis waarmee ze behalve zichzelf in principe
niemand schaadt. |
Een mondige middenklasse geïnteresseerd in vrijheid
en een onderklasse op zoek naar zekerheid. Hoe beide
te binden, is de opdracht van links, meent Dick Pels.
..meer..
Het debat over links-liberalisme wordt door GroenLinksers
te simpel teruggebracht tot een tegenstelling tussen
individu en gemeenschap, vindt Paul van Seters
..meer.. |
En hoe beoordeel je een moslimmeisje dat zegt er zelf voor
te kiezen om op de openbare school een hoofddoek te dragen?
Moet zij de vrijheid hebben om dat te doen? Of druist dat
hoofddoekje, als religieus symbool, zo in tegen het openbare
karakter van de school dat het verboden moet worden?
Hier botsen twee principes: enerzijds het liberale standpunt
dat ieder individu de vrijheid heeft te dragen wat hij of
zij wil. Aan de andere kant staan de morele oordelen. Wat
vindt u? Wint de vrijheid of wint de moraal?
Iedereen wil vrijheid. Dit jaar is de term buitengemeen populair
in de politiek. Het nieuwe beginselenmanifest van de VVD heet
"Om de vrijheid”. Geert Wilders heeft zijn nieuwe
boek “Kies voor vrijheid” genoemd.
Toch is en blijft het een omstreden ideaal. Want wat bedoelen
we eigenlijk met vrijheid? Vrijheid waarvan? Vrijheid voor
wie? En, als iedereen voor de vrijheid strijdt, wie mag zich
dan de wáre voorvechter (m/v) van de vrijheid noemen?
Over deze vragen woedt momenteel in Nederland een `heuse politieke
strijd', aldus Femke Halsema. GroenLinks en PvdA kunnen het
niet hebben dat de vrijheid voornamelijk wordt uitgevent door
`rechtse' liberalen. Socioloog Dick Pels deed hierom vorig
jaar in zijn Progressief Manifest een oproep het liberalisme
te redden uit de klauwen van rechts. Femke Halsema noemde
daarop haar GroenLinks de `laatste links-liberale' partij.
Links én liberaal; een in Nederland schijnbaar onmogelijke
liefde wint langzaam terrein. Onlangs was het opnieuw Dick
Pels, die aan de wieg stond van het Waterland Manifest,
een denktank van `links-liberale' denkers die poogt een nieuwe
vrijheid uit te vinden.
Het is een even opmerkelijke als begrijpelijke stap. Enerzijds
heeft de mislukking van de grote socialistische experimenten
de theoretische basis onder het traditionele linkse collectivisme
weggeslagen. Aan de andere kant worden ook GroenLinks en PvdA
geconfronteerd met de individualisering en de versplintering
van de collectieve belangen.
De samenleving verandert. Over de hele linie zoeken politici
naar een nieuwe verhouding tussen gemeenschap en individu.
Het wetenschappelijk bureau van de VVD stelde zichzelf tien
jaar geleden al de opdracht om het gemeenschapsdenken in te
bouwen in het liberale gedachtegoed. Links laat juist de collectieve
arrangementen achter zich en omhelst de individuele vrijheid.
De enige linkse partij die niets van liberalisme moet hebben
is de SP.
Bij deze zoektocht naar nieuwe evenwichten tussen individu
en gemeenschap kon het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks
niet achterblijven. Directeur Bart Snels stelde een boek samen.
Dick Pels schreef het eerste hoofdstuk, Femke Halsema het
nawoord. Komende dinsdag zal dit werk, getiteld Vrijheid
als ideaal worden gepresenteerd.
`Vrijheid als ideaal' is zeker een discussie waard. Maar uit
de bundel blijkt dat de verhuizing van het liberalisme naar
de linkerkant van het spectrum nog een heel gesleep wordt.
De denkbeelden van liberalen en socialisten over vrijheid
lopen nogal uiteen. De liberalen hanteren van oudsher de eenvoudigste
definitie. Ze vinden dat burgers hun eigen doelen moeten kunnen
nastreven zonder bemoeienis van de overheid. De staat mag
alleen ingrijpen als een burger een ander schade berokkent.
In de ogen van de liberaal is de mens een autonoom subject
dat, mits met rust gelaten door de overheid, vrije, verantwoordelijke
beslissingen neemt. Andere idealen, zoals gelijkheid of broederschap,
zijn ondergeschikt. Het liberale adagium luidt: eerst vrijheid
en dan de rest.
Voor socialisten ligt dat van oudsher anders. Ook bij hen
is vrijheid van het individu in principe het hoogste doel.
Maar alleen productieverhoudingen in de samenleving kunnen
dat mogelijk maken: volgens socialisten zijn alle mensen (niet
alleen de arbeiders. maar ook de kapitalisten) onderworpen
aan het systeem, zowel in hun doen als in hun denken. Individu
en gemeenschap zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Om
werkelijk vrij te zijn moet eerst het systeem op de schop.
Uit deze typering blijkt dat een liberaal, individualistisch
vrijheidsbegrip botst met het oude socialistische wereldbeeld.
Wie de rechten van het individu boven die van de gemeenschap
stelt, kan de gemeenschap niet meer voorop stellen.
Toch kiezen veel auteurs in de bundel voor het liberale, individualistische
vrijheidsbegrip. Ze omhelzen de vrijheid om naar eigen inzicht
je individuele leven in te richten. Maar dat botst al snel
met linkse idealen, bijvoorbeeld de vrouwenemancipatie.
Baukje
Prins vraagt zich af of links niet te ver is doorgeschoten
op de lijn tussen moraal en vrijheid. De liberale aanspraak
op de autonomie van vrouwen -`ze willen het nu eenmaal zelf'
- mag voor de docent Sociale Filosofie in Groningen geen reden
zijn om uitwassen als prostitutie en pornografie te gedogen.
Ook waar vrouwen onderdrukt worden met een beroep op cultuur
of religie wil Prins kunnen ingrijpen: `In dergelijke gevallen
verdient het meelevend wantrouwen van verlichtingsfundamentalisten
als Hirsi Ali de voorkeur boven de het onvoorwaardelijk respect
voor verschillen van de links-liberaal.'
Op een soortgelijke manier botst vrijheid niet milieuvoorschriften,
met verplichte integratiecursussen en met iedere vorm van
overheidssturing die mensen dwingt iets te doen in het collectief
belang.
Maar veel GroenLinks-aanhangers willen af van het imago van
sokken-van-ongebleekt-katoen. `Met pleidooien voor "consuminderen"
hebben groene politici en denkers zich (...) in het verleden
impopulair gemaakt', waarschuwt bijzonder hoogleraar Humanistiek
Marcel Wissenburg in zijn bijdrage. Moralisme is taboe. Maar
hierdoor dreigt het links-liberalisme wel erg vrijblijvend
te worden.
Eigenlijk durft alleen Pieter Hilhorst, columnist van deze
krant, dit fundamentele probleem écht bij de kladden
te grijpen. Hij vindt de liberale vrijheid leeg en niet te
verenigen met een linkse visie op het goede leven.
Hilhorst citeert de radicale Oostenrijks-Amerikaanse denker
Frithjof Bergmann om te illustreren dat vrijheid verbonden
is met identiteit. Vrij zijn betekent voor Bergmann een eigenzinnig,
krachtig en levenslustig mens zijn. De verbintenis met anderen
is hiervoor essentieel. Want alleen door de interactie met
anderen kan de mens erachter komen wat hij of zij `werkelijk'
wil. Bovendien biedt de ander houvast bij het stellen van
grenzen. |
| |
|
| |
Het liberale mensbeeld laat zich
niet zo maar door links adopteren. Liberalen gaan ervan uit
dat de vrijgelaten mens vanzelf sterk en verantwoordelijk
wordt. Deze veronderstelling geldt misschien voor de rijke
en hoogopgeleide achterban van GroenLinks zelf, maar het heeft
weinig met de realiteit van doen. De meeste mensen zijn helemaal
niet zelfstandig en mondig, maar veeleer onzeker en schuchter.
Een overheid die op basis van het individualistische mensbeeld
de vrijheid wil organiseren, maakt slachtoffers. Het is alsof
je een kind in het diepe gooit in de hoop dat het vanzelf
zal leren zwemmen. Denkend dat het tijdperk van het vrije
individu al daar is, loopt de linkse avant-garde te ver voor
de kudde uit, net zoals de liberalen dat altijd hebben gedaan.
In de zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen gemeenschapsdenkers
en individualisten is `personalisme' misschien een geschiktere
term dan `sociaal', `moreel' of 'links' individualismé.
Personalisme verbindt gemeenschap en individu, uitgaande van
de waarde van elk individueel persoon en de erkenning daarvan.
Het ziet de mens niet los van zijn omgeving, zoals het individualisme.
De verbintenis met anderen bepaalt wie je als persoon bent.
Pels noemt het personalisme een paar maal, maar associeert
deze term vooral met het denken van de linkse PvdA-dominee
Banning. Daardoor krijgt het personalisme het klassieke sausje
van religiositeit en gemeenschapszin, dat geurt naar de spruitjes
van gemeenschapsdenkers als premier Balkenende.
Waarom proberen de linkse denkers liet personalisme niet te
redden uit die traditionele sfeer van bijbel en balkenbrij?
Voor GroenLinks, dat zelf christelijke wortels heeft, zou
dit toch geen probleem moeten zijn? Waar zijn ze bang voor?
Gemeenschappen zijn niet meer zo gedragsbepalend als vroeger.
Moderne burgers organiseren zich in `lichte, in vrijheid gekozen
en vrijwillig onderhouden gemeenschappen', zoals Pels schrijft.
Voor het moderne personalisme komt vrijheid tot stand in interactie
met anderen. Het is dus geen absolute maar een relatieve vrijheid,
beperkt door de ruimte van de ander.
Dit brengt ons terug bij de moraal. Ik ben misschien een verstokt
moralist, maar wat ik vooral mis in het links-liberalisme
is een helder beeld van het goede leven, een concreet vormgegeven
idealisme dat op bepaalde punten `nee' durft te zeggen tegen
de gemakzuchtige liberale laissez-faire politiek.
Politiek is meer dan het organiseren van verschillen. Het
is ook richting geven en mensen wijzen op hun plicht tot zelfbeperking.
Het personalisme, met haar nadruk op de persoonlijke verhouding
tot de ander, biedt hiervoor een solide morele basis. Meer
dan ooit hebben onze woorden, onze gedragingen en onze consumptieve
bestedingen directe impact op het leven van de ander. Een
politieke partij die zich GroenLinks noemt, moet het aandurven
om in gesprek met de burger een appèl te doen op diens
vermogen tot zelfbeperking.
En wat doen we met het hoofddoekje van dat moslimmeisje? Pieter
Hilhorst, uit wiens bijdrage ik dit tweede voorbeeld gepikt
heb, komt met een voorbeeldige en puur personalistische oplossing.
Hij gaat het gesprek aan: `Als die hoofddoek uitdraagt wie
je wil zijn, moet je de vrijheid hebben om die te dragen.
Maar is dit wel de identiteit die je uit wilt dragen? Schik
je je zo niet in een rol voor de vrouw die je niet past?'
Dit soort vragen, persoonlijk, kritisch maar ook respectvol,
moeten we aan iedereen durven stellen.
|
| |
|
|
Dick Pels in de Volkskrant van 13 oktober
2005 |
| |
Links moet zoeken naar balans tussen soorten
gelijkheid
Te weinig ervan hebben, is niet goed, maar te veel is nog
slechter. Dat is de intrigerende paradox van de zekerheid
en de onzekerheid. Een gebrek aan bestaanszekerheid is verwarrend,
beangstigend, zorgwekkend en vernederend. Een gebrek aan zelfvertrouwen,
erkenning en identiteit maakt mensen bang, en doet hen verlangen
naar de vastigheid van een geloof of een ideologie. Maar andersom
maakt een teveel aan comfort mensen lui gemakzuchtig, en kan
onzekerheid een prikkel zijn om op avontuur te gaan en jezelf
opnieuw uit te vinden. Zelfverzekerde mensen kunnen meer onzekerheid
verdragen, zoeken de uitdaging zelfs op, en scheppen er plezier
in om risico's te nemen en hun grenzen te verleggen.
De paradox is dus dat er een hoog niveau van sociale zekerheid
nodig is om iedereen in staat te stellen de fundamentele onzekerheden
van de moderne risicomaatschappij op een positieve manier
te omarmen.
Dit zou de kern kunnen zijn van een breed sociaal-progressief
programma: aan iedereen moeten zodanige materiële bestaanszekerheden
worden gegund, dat men op basis daarvan in staat is een grotere
culturele onzekerheid `uit te houden' en zelfs te verwelkomen.
Financiële en baanzekerheid, en toegang tot onderwijs
en cultuur bieden mensen de middelen en de geestelijke ruimte
om te experimenteren, flexibeler te worden, verschillen op
te zoeken en te waarderen, en te ontsnappen aan gevestigde
denkbeelden en de macht der gewoonte.
Dat is precies het omgekeerde van wat politiek rechts bepleit
en wat de zittende regering doet. Het kabinet schept materiële
onzekerheid en compenseert deze via de suggestie van culturele
en morele zekerheid. Het stelt de burgers bloot aan tal van
nieuwe risico's, voor een deel als onbedoeld gevolg van overspannen
maakbaarheidspretenties (zie de scoringsdrift met het nieuwe
zorgstelsel), voor een deel bewust en doelgericht. Vanuit
haar ideologie van `eigen verantwoordelijkheid' zijn de onzekerheden
die voortvloeien uit de sanering van de verzorgingsstaat en
de marktwerking juist prikkelend. Mensen komen weer in beweging,
gaan een baan zoeken, gaan iets van zichzelf maken in plaats
van te blijven vegeteren in een uitkering. Aan de andere kant
zoekt het kabinet naar houvast en binding op het gebied van
normen en waarden, een `leidende' cultuur en een nationale
identiteit.
Dus juist op het punt waar het mensen zou moeten leren meer
verschillen te verdragen en te waarderen, biedt het valse
zekerheden; juist waar het zekerheid zou moeten scheppen,
maakt het de burgers bang.
Bovendien lijdt dit kabinet aan een vorm van betweterij die
het `zeker weten' en de angst voor kritiek tot een politieke
stijlfiguur heeft verheven. Minister Donner was onlangs opnieuw
in het nieuws vanwege zijn krampachtige ontkenningen in de
zaak-Nienke Kleis, en zijn onvermogen of onwil om toe te geven
dat er, in plaats van incidenten, sprake was van structurele
fouten in het justitieel apparaat.
Ook bij ministers als Remkes, Hogervorst en Verdonk is het
onvermogen om te luisteren, kritiek te incasseren en fouten
toe te geven geen incident, maar een structureel kenmerk van
hun persoonlijke en politieke uitstraling. De ministers Bot
en Pechtold moesten diep buigen voor het centralisme dat het
ventileren van afwijkende meningen in het kabinet resoluut
de kop indrukt.
Wat betreft stijl zou links hiertegenover een ontspannen politiek
moeten voeren, die niet opnieuw vervalt in betweterij, maar
die soepel omgaat met meningsverschillen en zijn eigen maakbaarheidspretenties
relativeert. Wat de inhoud betreft zou dit een politiek van
sociaal-economische zekerheid moeten zijn die (meer) mensen
in staat stelt en ertoe verleidt in culturele onzekerheid
te leven. Op de grondslag van een hoog niveau van collectieve
voorzieningen zou juist de openheid voor het andere, de betwistbaarheid
van onze basiswaarden en de zwakheid van onze nationale identiteit
kunnen worden gevierd. De sociale en materiële gelijkheid
zou op die manier bijdragen aan de ontplooiing van culturele
ongelijkheid en verschil.
Deze dialectiek is van groot belang voor het dilemma waarmee
vooral de PvdA worstelt. In alle Europese landen staat de
sociaaldemocratie voor de vraag hoe zij zowel de winnaars
als de verliezers van de modernisering voor haar boodschap
kan blijven interesseren. De oude arbeidersklasse bestaat
niet meer. Het merendeel heeft zich omhooggewerkt naar de
nieuwe middenklasse, terwijl de rest is afgedaald naar een
onderklasse die ook steeds sterker is verkleurd.
Een hoogopgeleide en mondige middenklasse, die geïnteresseerd
is in keuzevrijheid en de bijbehorende onzekerheden aankan
en actief opzoekt, staat tegenover een laagopgeleide, zich
miskend en bedreigd voelende onderklasse die juist op zoek
is naar zekerheid en bescherming - en die vaak vindt in de
simpele waarheden van rechtse populisten of radicale islamieten.
PvdA-leider Bos gaat ervan uit dat die twee achterbannen qua
positie en ambities zó sterk uiteenlopen, dat er misschien
een verschillend verhaal aan beide moet worden verteld. Het
is volgens hem niet langer zinvol te zoeken naar een allesverklarend
concept waarmee je voor iedereen een boodschap hebt.
In elk geval vindt hij het verkeerd met het traditionele gelijkheidsconcept
alle doelgroepen van de sociaal-democratie te willen blijven
bedienen. De sociaal-democratie is volgens hem te soft geweest
met het bieden van echte zekerheid en bescherming voor mensen
die dat hard nodig hebben; maar zij is tegelijkertijd te behoudend
geweest met het geven van ruimte voor het maken van eigen
keuzen aan de mensen die dat aankunnen.
Maar juist de dialectiek van zekerheid en onzekerheid maakt
het mogelijk van die `dubbele boodschap' een verhaal te maken.
Bos nam hier zelf tijdens de Algemene Beschouwingen al een
voorschot op. Juist nu verwachten mensen (en niet alleen de
sociaal zwakkeren en achterblijvers) van de overheid een boodschap
van bescherming en zekerheid, omdat dit de enige manier is
om ze te motiveren risico te nemen, bijvoorbeeld te accepteren
dat een baan voor het leven niet meer bestaat. `Dan helpt
het niet als de overheid vooral de boodschap heeft dat je
voor jezelf moet zorgen. Als u flexibiliteit van mensen vraagt,
moet u ze zekerheid bieden. U vraagt flexibiliteit en biedt
onzekerheid.'
Aan de verliezers van de modernisering moet dus sociale bescherming
worden geboden, zodat ze de risico's van het moderne bestaan
kunnen verdragen, in plaats zich vast te klampen aan de zekerheden
van een nationale en/of religieuze identiteit. Aan de winnaars
kan een meerkeuzemenu worden geboden dat aan haar individualisme
tegemoet komt zonder dat dit asociale consequenties heeft.
In plaats van een eenvoudig gelijkheidsverhaal te vertellen,
zou links moeten zoeken naar een nieuwe balans tussen materiële
kansengelijkheid en culturele ongelijkheid.
Menno ter Braak noemde dit de ‘inspirerende inconsequentie’
van de democratie. 'Het is een systeem; dat gelijkheid nastreeft,
in het besef dat ongelijkheid niet alleen onvermijdelijk,
maar ook gewenst is.
|
| |
|
| |
Paul van Seters schrijft in het Volkskrant
forum van 24 oktober 2005 onder de kop "Halsema's links-liberalisme
is simplistisch".
Het liberalisme stelt individuele vrijheid boven de belangen
van de gemeenschap. Het socialisme gaat uit van het tegenovergestelde:
individuele rechten zijn ondergeschikt aan die van de gemeenschap.
Aldus Kees Kraaijeveld in zijn bespreking van het boek Vrijheid
als ideaal (Het Betoog, 8 oktober). Femke Halsema en Bart
Snels beschouwen deze stelling van Kraaijeveld als een grove
simplificatie (Forum, 14 oktober). In de politieke filosofie
hebben liberalen en gemeenschapsdenkers of communitaristen
weliswaar lange tijd lijnrecht tegenover elkaar gestaan, maar
die aloude tegenstelling is volgens Halsema en Snels inmiddels
wezenlijk afgezwakt, en daarmee achterhaald. Liberalen erkennen
dat individuen deel uitmaken van gemeenschappen waaraan zijn
hun identiteit ontlenen, en communitaristen zien in dat gemeenschappen
individuen niet mogen onderdrukken en hen de ruimte moeten
laten voor autonome keuzevrijheid.
Aan het betoog van Halsema en Snels vallen vier zaken op.
In de eerste plaats geven Halsema en Snels zelf een veel te
simpel beeld van het liberalisme–communitarisme debat.
Zij verwijzen naar John Rawls, Amartya Sen, en Michael Walzer.
Maar de oppositie individu–gemeenschap zal men in het
werk van deze protagonisten vergeefs zoeken. In werkelijkheid
heeft in het liberalisme–communitarisme debat iets heel
anders centraal gestaan, te weten de conceptualisering van
het persoonsbegrip, gekoppeld aan het gemeenschapsbegrip.
Het is dus niet de tegenstelling tussen individu en gemeenschap
waar dit debat om draait, maar de bijzondere verhouding tussen
die twee.
In de tweede plaats is de verwijzing van Halsema en Snels
naar het einde van het liberalisme–communitarisme debat
schromelijk voorbarig. De confrontatie van de tradities van
het liberalisme en het gemeenschapsdenken leidt ook vandaag
de dag nog tot spraakmakend academisch werk, en is onverminderd
actueel. Die confrontatie geeft zicht niet op het waterige
compromis van Halsema en Snels, maar op de verwevenheid van
individuele rechten met verantwoordelijkheden tegenover de
gemeenschap. Daarmee ontstaat aandacht voor nieuwe evenwichten
tussen individuen en groepen, tussen rechten en verantwoordelijkheden,
tussen instituties van de staat, de markt, en de civil society.
In de derde plaats zijn Halsema en Snels merkwaardig selectief
in hun bronnen. Het maakt althans een wereldvreemde indruk
om in dit verband uitsluitend Rawls, Sen, en Walzer te noemen.
Nog merkwaardiger en wereldvreemder is de indruk die men overhoudt
aan Vrijheid als ideaal. Daar wordt uitgebreid aandacht besteed
aan het communitarisme, met name door Dick Pels. Maar de belangrijkste
bron van het hedendaagse gemeenschapsdenken, te weten het
Amerikaanse nieuwe communitarisme (Benjamin Barber, Robert
Bellah, Amitai Etzioni, Mary Ann Glendon, Philip Selznick,
en vele anderen), komt in dat hele boek niet voor—niet
bij Pels, en ook niet bij de andere auteurs (waaronder Halsema
en Snels). De links liberalen pakken de draad van het ethische
gemeenschapsdenken liever op bij Willem Banning (1888–1971)
en die van het sociaal individualisme bij Jacques de Kadt
(1897–1988). Deze blikvernauwing wordt alleen maar bevestigd
in de recente bijdrage van Pels in deze krant (Forum, 20 oktober).
In de vierde plaats is daar de veeg die Balkenende krijgt
uitgedeeld. Halsema en Snels wantrouwen “een van bovenaf
opgelegde moraal zoals die tot uitdrukking komt in …
de Balkenende-lijstjes van gemeenschappelijke waarden en normen.”
Die veeg is onverdiend. Het publieke debat over waarden en
normen is een paar jaar geleden op gang gebracht door de persoonlijke
inzet van Balkenende. In maart 2004 discussieerde de Tweede
Kamer over de erosie van de publieke moraal. Bij die gelegenheid
kreeg Balkenende opvallend veel steun voor zijn inzet, ook
van liberale zijde en van de oppositie. De Volkskrant schreef
dat “Balkenende erin is geslaagd het normbesef van de
natie op de maatschappelijke agenda te plaatsen.” NRC
Handelsblad deed daar nog een schep bovenop: “Balkenende
is de absolute kampioen op het terrein van het spreken over
waarden en normen.” Een ruiterlijke erkenning van deze
verdienste kan er bij Halsema en Snels kennelijk niet af.
Maar belangrijker dan dat is hun misvatting dat Balkenende
moraal “van bovenaf” wil “opleggen.”
Balkenende, die zijn Etzioni kent, weet als geen ander dat
waarden en normen “van onderop” ontstaan, door
interactie en dialoog tussen individuen, in groepen en gemeenschappen.
Halsema en Snels verzetten zich terecht tegen de simpele
tegenstelling individu–gemeenschap van Kraaijeveld.
Maar wat zij daarvoor in de plaats stellen is in feite even
simplistisch. Het links liberalisme kan beter, en verdient
beter.
Paul van Seters
Hoogleraar globalisering en duurzame ontwikkeling aan
Tias
Business School. |
Geplaatst of geschreven door: Bert Stoop
|
Beschrijvingen zelfhulpboeken
- Jezelf worden en
zijn, zelfvertrouwen, in balans zijn
- Vrijheid
en innerlijke bevrijding
- Verslaving:
algemeen, roken en gokken
- Geluk(kig
worden)
- Emoties: depressie, angst, (werk)stress
en burnout; jaloezie, woede,
ruzie en agressie
- Pijn, verdriet en zelfdoding
- Relaties: liefde, eenzaamheid en scheiding, poëzie, man-vrouw
verschillen
- Therapie kiezen
- Voor en
tegen alternatieve geneeswijzen
|
|
|